Onderwijs bij Cerebrale Parese

Binnenkort beschikbaar.

Onderwijs


Kinderen met hemiparese en tenminste laag normale intelligentie (IQ 80 of hoger) volgen in meerderheid gewoon basisonderwijs. Bij de helft van deze kinderen komt het niet tot doorleren na het 16de jaar, een kleine minderheid volgt hoger onderwijs. Kinderen met bilaterale CP zijn in grote meerderheid aangewezen op een vorm van speciaal onderwijs.



Mentale ontwikkeling en algemene intelligentie


Bij kinderen met CP vergt het afnemen en interpreteren van tests bijzondere vaardigheid en ervaring. Sommige kinderen horen of zien onvoldoende om de testinstructies te begrijpen; de communicatie met het kind wordt vaak belemmerd door slechte verstaanbaarheid van de spraak; stoornissen in de motoriek kunnen het hanteren van testvoorwerpen belemmeren. De resultaten van het testonderzoek vallen onevenredig laag uit wanneer geen rekening met deze belemmeringen wordt gehouden.

Neemt men het intelligentiequotiënt (IQ) als graadmeter voor de verstandelijke begaafdheid, dan is van alle kinderen met CP samen 40 tot 50% zwakzinnig: IQ zwakzinnigheid (ENCYCL- Zwakzinnigheid).

De percentages zwakzinnigheid lopen sterk uiteen (Himmelmann et al., 2006):

■ Van de hemiparetische kinderen is ongeveer 15% zwakzinnig, waarvan twee derde licht (IQ tussen 50 en 70).
■ Van de diplegische kinderen is ongeveer 50%, in meerderheid licht (IQ tussen 50 en 70) zwakzinnig.
■ Quadriplegische kinderen zijn vrijwel allen ernstig zwakzinnig (IQ Van dyskinetische kinderen is 60 tot 70% zwakzinnig, vaak (40-70%) ernstig (IQ)
■ Van de atactische kinderen is ongeveer de helft licht zwakzinnig (IQ tussen 50 en 70).

Bij hemiplegische kinderen is het performale IQ in de regel lager dan het verbale IQ, ongeacht de hersenhelft die (het meest) is aangedaan. Ook veel kinderen met spastische diplegie hebben een verschil tussen verbaal en performaal IQ ten nadele van het performale (zie Jennekens-Schinkel & Jennekens, 2008; Himmelmann et al., 2006) (ENCYCL-Intelligentiestoornissen).



Andere cognitieve functies


Systematische kennis over het patroon van sterke en zwakke cognitieve functies is nog niet beschikbaar. Onderstaande geeft enkele opvallende zaken weer.

Bij bilaterale CP komen stoornissen in visueel-ruimtelijk waarnemen veel voor. De kinderen behalen in tests waarbij ze een uitweg moeten vinden door een gangenstelsel vaak slechte resultaten. Dit is wel in verband gebracht met de omstandigheid dat de kinderen door hun motorische stoornis van jongs af niet of slecht hebben gelopen en niet hebben kunnen oefenen in visueel gestuurde verplaatsing. Dit gebrek aan oefening in bewegen door de ruimte zou begrijpelijk kunnen maken waardoor zo veel personen met bilaterale CP klagen dat ze in nieuwe omgevingen moeilijk de weg vinden (Jennekens-Schinkel & Jennekens, 2008).

Schoolkinderen met diplegische CP die kunnen meewerken in standaardonderzoek functioneren in geheugentests ongeveer op leeftijdsniveau.(ENCYCL-Geheugen) Dat geldt zowel voor onmiddellijke als voor uitgestelde reproductie van bij voorbeeld woorden, cijfers, verhalen, namen, gezichten of figuren (Pueyo et al., 2009). De bij deze kinderen veel voorkomende spraakstoornis heeft geen negatieve gevolgen voor het werkgeheugen voor woorden. In leertaken is de strategie van deze kinderen met diplegie veelal minder actief, de kinderen herorganiseren de te leren stof minder dan leeftijdgenootjes, maar dit verbetert met toenemende leeftijd.

De taalontwikkeling bij bilaterale CP, hoewel meestal fors achter, verschilt tussen drie en zeven jaar sterk. Maar tenzij epilepsie ontstaat neemt de achterstand meestal niet toe (ENCYCL- Taalverwerving en ENCYCL-Vertraagde taalverwerving).

Hemiparetische CP leidt tot meer achterstand in de vooral productieve aspecten van de taalontwikkeling bij een laesie in overwegend de linkerhemisfeer (parese rechts) dan bij een laesie in overwegend de rechterhemisfeer (parese links).

Anartrische kinderen maken, ook als hun intelligentie normaal is, in contacten met anderen bij voorkeur gebruik van gebaren, wijzend kijken, of gelaatsuitdrukkingen; zij verkiezen deze communicatie boven het gebruik van kaarten met beeldweergave van woorden (zoals Bliss kaarten).

Taalontwikkeling wordt nadelig beïnvloed door hardhorendheid, gestoorde mondmotoriek en onvoldoende interactie met anderen. Kinderen met CP hebben meestal een achterstand in taalontwikkeling en niet een taalstoornis zoals afasie (Jennekens-Schinkel & Jennekens, 2008).



Schrijf-, lees- en rekenvaardigheden


Ondanks anartrie of ernstige dysartrie zijn kinderen met CP in staat woorden in een stroom van klanken te herkennen. Ze kunnen met enige moeite onderscheid maken tussen korte en lange woorden en ze kunnen verschillen in betekenis aangeven tussen zinnen die voorgelezen worden. Deze vaardigheden hebben kinderen nodig om te leren lezen en schrijven (Jennekens-Schinkel & Jennekens, 2008). Uit de beschikbare gegevens over rekenvaardigheid kan men opmaken dat kinderen met een bilaterale vorm van CP die waren geselecteerd op IQ (allen ≥ 70) in de groepen drie en vier van de basisschool meer fouten maken en meer tijd nodig hebben voor optellen en aftrekken dan normaal ontwikkelende controlekinderen. Het verschil wordt niet verklaard door het IQ en wordt in de eerste jaren niet ingehaald. Wel leren ook de kinderen met een bilaterale vorm van CP gaandeweg meer sommen oplossen. De kinderen blijven tellen en dat kost tijd. Kinderen met links- of rechtszijdige hemiparetische CP, ook geselecteerd op IQ (≥ 70), zijn niet significant onnauwkeuriger of trager dan de controlekinderen (Jenks et al., 2009).